Herinneringen:
Amsterdam, 18 Maart 1990.
18 Maart 1937 trouwde ik met Emanuel van der Lijn. Als alles gewoon gegaan was, zouden wij waarschijnlijk nu 53 jaar getrouwd zijn, maar het liep anders.
Gistermiddag vroeg mijn kleinzoon Igal mij iets van de familie te vertellen. Wie, wat en hoe waren zijn voorouders, voor zover ik ze gekend had? Welnu ik zal proberen het op te schrijven.
Mijn Vader en mijn Moeder waren Isaäc Salomon Hijmans en Anna Dorothea Courlander[1].
Het was, voor zover ik het overzien kan, een bizonder goed huwelijk. Ruzies kwamen er niet of nauwelijks voor. Ik herinner mij, dat ze na het avondeten samen op de canapée (bank) gingen liggen voor een dutje. Het huwelijk was geschadgend (gekoppeld). Mijn moeder, enige dochter uit den Haag, had wat geld. Haar vader was Joseph Courlander. Hij was procuratiehouder bij de Fa Enthoven (Plettery) en had het finantieel goed. Mijn moeder was geboren nadat een broertje, Orest Courlander, overleden was. Zij had een echte meisjesopleiding gehad op een particuliere school, koken en naaien. Van het eerste hield ze niet erg, (mijn grootmoeder Eva en haar dochters[2] kookten en bakten veel beter) maar naaien kon ze goed. Als kinderen werden onze kleren thuis gemaakt, (er kwam iedere week een huisnaaister), met veel fantasie en versierd met handwerk. Haar ouders waren liberaal Joods. Grootmoeder Elise, noch mijn moeder hadden ooit gewerkt.
Mijn vader, zoon van Godschalk Hijmans uit Tiel en Eva Hijmans-Bendien, was een goede “partij”. Hij was knap van uiterlijk, ontwikkeld, hij had einddiploma 5 jarige H.B.S. en een jaar wiskunde gestudeerd. Daarna had hij jaren in Z.Afrika gewerkt, waaruit hij tijdens de Boerenoorlog teruggekeerd was (zie speciaal boek van brieven van Opa Hijmans). Ten tijde van zijn huwelijk had hij een goede positie in Amsterdam.
Zoals dat in die jaren was, was mijn vader de baas in huis en moeder deed, voor zover ik het kan beoordelen, wat hij wilde. Bij grote beslissingen zei ze altijd, eerst Vader vragen of met Vader bespreken. Zij keek Opa naar de ogen!
Opa Hijmans had in Tiel een pettenfabriekje? plus winkel. Ze bewoonden een groot huis in de Waterstraat. Hij was de enig overgeblevene van een aantal broers, maar verder weet ik daar niets van. Die zaak ging slecht. Ze hadden behalve mijn vader nog 2 dochters, die evenwel zover ik weet alleen lagere school hadden. Rika trouwde vroeg (Groenman familie) en Henriette (Fam. Henri de Vries) veel later.
Grootmoeder Eva Hijmans, dochter van Salomon Bendien en Rikke Prins (er waren 6 á 7 kinderen) textielfabrikant in Almelo (Ootmarsum). Ze was vrij laat getrouwd en zeer intelligent. Ze had diploma’s /Frans?/ en Duits als gouvernante of iets dergelijks.
Mijn ouders woonden eerst op de Ceintuurbaan, waar ik geboren ben. Daarna gingen we naar een bovenhuis in de Sarphatistraat. Het had 8 kamers, Mijn moeder had een dienstbode, een kindermeisje toen we klein waren, een werkster voor het ruwe werk en een huisnaaister. De dienstmeisjes aten in de keuken (behalve “Juf”, die van arme maar goede familie was en daarom ook niet bij de naam genoemd werd. Er was aan de lamp in de woonkamer een belletje om ze te roepen. De grote was ging – geloof ik – naar een wasserij. Het huis was een huurhuis. Koophuizen waren niet gebruikelijk (in de stad) tenzij bij hee1 rijke mensen. Later toen de huur F 100.-per maand werd, zijn we naar een nieuwe buurt, Zuid, gegaan. Het was een benedenhuis in de Valeriusstr. Dat huis was kleiner, Er was ook geen dienstmeisje meer, maar een dag-meisje. De kinderen hadden ook in de Sarphatistraat geen eigen kamer, maar de meisjes sliepen samen. Ik had een broer, oom Frits (Godfried) en een zuster Jopie (Josine) moeder van Joop Sanders.
We hadden in de Sarphatistraat een echte badkamer met ligbad en gas-geyser en we hadden telefoon. Er was natuurlijk geen centrale verwarming en in het begin nog gasverlichting. Later werd vanuit de gemeente één electrische pit aangelegd en mijn veder en oom Henri, die op de ambachtschool voor electricien geleerd had, hebben samen de andere pitten gemaakt. Nog later maakte mijn vader een van de eerste radio’s met spoelen. Het huis was mooi gemeubileerd, de meubels waren gemaakt gedeeltelijk naar tekening van Vader.
We waren niet op een kleuterschool (toen nog bewaarscholen) en op aparte jongens en meisjesscholen, de Hendrik Westerschool en de Plantageschool. Het waren derde klasscholen. Er bestonden ook vierde klasscholen voor beter gesitueerde kinderen, maar dat wilde mijn vader per se niet. Er bestonden ook mindere en gemengde scholen.
We waren ook lid van Artis, wat op loopafstand was We gingen daar practisch iedere dag heen, speelden er, maakten er ons huiswerk etc. Daar gingen ook mijn ouders heen en ook op Woensdagavond voor het concert in de muziektent. We gingen niet voor het concert maar voor de gezelligheid. Men ontmoette er zijn kennissen en “vriendjes”, ook in de weekenden. Maar op Zondag gingen we ook gezamenlijk naar Zandvoort met de trein en brood mee (drinken kon je er kopen). Dan zat je met de hele familie op het strand. Auto’s waren er nog niet, Wel had mijn vader een auto voor de zaak, maar hij hield niet van chaufferen en liet het rijden later over aan Frits of de reiziger van de zaak nam de auto mee voor zijn weekend. Wel hadden we heel vroeg fietsen en ook speelden we altijd op straat.
Mijn vader was een welgesteld koopman in rubberartikelen geworden. Hij bezat een groot eigen huis, Singel 186. Hij stond erop dat zijn dochters een vak zouden leren. Voor mijn broer had hij al voeg vastgelegd dat hij opvolger in de zaak Hijmans en Bergmann moest worden.
Tante Jopie behaalde diploma 3 j. H.B.S. en ging direct daarna op het accountantskantoor ven Pimentel werken, waar ze tot haar trouwen bleef. Ik had 5 j. H.B.S.b. en daarna de school voor maatsch. werk en werkte de laatst jaren van mijn opleiding betaald ‘s-avonds bij de Zwaluwnesten, een avondopvangclub voor zeer arme Joodse textielwerkstertjes en werkte na het behalen van mijn diploma op het personeelsbureau van de Bijenkorf. Maatsch werk was in die tijd van grote werkloosheid luxe. Ik bleef daar tot ik trouwde in 1937. Getrouwde vrouwen werkten niet, werden vaak zelfs ontslagen. Wel had ik één maal per week een baantje op een buro van beroepskeuze tot Eefje geboren werd.
In de weekenden kwamen de ouders bij elkaar op visite. De mannen speelden whist en opa Hijmans later bridge. De vrouwen kletsten of deden een of ander kinderachtig kaartspelletje. Er werd meestal “uitgepakt”.
Muzikaal waren we niet, maar mijn moeder beweerde dat als we maar vroeg genoeg er mee in aanraking zouden komen we het wel zouden worden. Dus heb ik jarenlang (5 ong.) pianoles gehad. Ook gingen we naar de schoolconcerten door Corn. Dopper gedirigeerd en van een inleiding voorzien. Iets heb ik er zeker wel van opgestoken, maar muzikaal ben ik nooit geworden. De piano had oma meegenomen uit den Haag, maar of ze zelf speelde weet ik eigenlijk niet. Ik heb haar in ieder geval nooit gehoord. Wel nam mijn vader ons soms mee naar het Rijkmuseum en vertelde dan bij verschillende schilderijen de Bijbelse verhalen. Ook lazen we het Alg. Handelsblad, maar cultureel waren we niet. Wel had mijn vader voor die tijd een hele brede kijk op een heleboel dingen. Hij was de vraag en steun van de hele fam. Ook nam hij de man van zijn zuster in de zaak als magazijnmeester om dat gezin finantieel te steunen.
Toen we ouder werden gingen oom Frits en ik naar ieder nieuw toneelstuk dat er in de Stadsschouwburg ging. We zaten dan op het “Schellinkje”, 2de gaanderij.
Toen ik 14 jaar was en op de HBS werd ik lid van de Zionistische Jeugdfederatie (Hatsair) en dat ben ik jaren gebleven. We gingen ook elk jaar naar een kamp, jongens of meisjeskampen gescheiden. Dan was er een leeg huis, b.v. in Wezep (Veluwe). Op de grond stroo waarop je sliep. Je waste je buiten bij de pomp. Een grote tent voor overdag. We maakten kennis met allerlei mensen, Leo mijn latere zwager was voorzitter van het hoofdbestuur, Manu, mijn latere man JNF commissaris en ikzelf secretaresse van Hatsair.
Manu liep maandenlang achter mij aan en kwam me dikwijls van het Zwaluwnest halen. Tenslotte werden we het eens zoals Menu zei: “Omdat je geen nee durfde zeggen”. Maar toen moest hij nog officieel bij mijn vader “mijn hand vragen” en mijn vader vond de jongen weliswaar prima, maar wat hij was (een kleine kantoorbaan) niets. Manu’s vraag “wat vindt u dan wél iets?” werd beantwoord met b.v. accountant.’, Nou dan word ik dat was Manu’s antwoord en hij begon aan de zeer zware, zeer lange/studie voor accountant in de avonduren. Het diploma (nu register-accountant) werd in 1938/39 behaald. Er begon een lange, lange verloving (officieel), waarin we bv zeer modern, wel samen op reis mochten (2 kamers, met elkaar slapen was er niet bij. Er waren geen betrouwbare voorbehoedsmiddelen). Inmiddels was Manu van het kantoorbaantje opgeklommen naar ‘het secretariaat van het Handelsblad, waar hij door protectie gekomen was. Daar ontving hij met een koptelefoon b.v. de Duitse telefoon en tikte dat dan meteen in het Hollands neer.
Toen Manu F.150. per maand verdiende gingen we trouwen. Dat was geen groot salaris, maar met zuinig zijn ging het. We kregen een 3 ½ k. woning in de Dintelstraat 6 beneden waar opa en oma v.d.L. woonden huur 38.50 per maand, er was een huisk., studeerk. kinderk. slaapk. keuken en badk met ligbad, maar een gasgeyser daarin was alsnog te duur.
De inrichting van ons huis in de Dintelstr. plus ook de bruiloft werden door opa Hijmans betaald. Ik kocht (of liet maken) alles bij de Bijenkorf, waar ik werkte en 20% korting kreeg.
Carel en Eva van der Lijn-Cohen hadden beiden alleen maar lagere school, maar vooral oma van der Lijn was bizonder intelligent Ze las iedere morgen, zittend een de grote tafel de krant, interesseerde zich voor veel en was b.v. lid ven de Nieuw Malthusiaanse bond (tegen grote gezinnen). Opa die oorspronkelijk diamantbewerker was geweest, was in mijn tijd handelsreiziger in chocolade en snoep en verdiende een behoorlijke boterham. Ze hadden 2 zonen: Leo doorliep de 3 j. H.B.S. en Emanuel de 5 j. Handelsschool, maar daarna gingen ze werken. Oma Eva controleerde iedere avond de briefjes (orders) naar opa’s bazen op taalfouten. Opa was de aardigste, vriendelijkste man, die ik ooit kende, toch liet hij niet over zich lopen. Ook kon hij heel leuk tekenen. Als Eefje ziek was en dat was ze vaak, vertelde hij sprookjes en maakte dan van gekleurde klei de daarbij passende figuurtjes, die hij tegen de muur plakte. Hij zat wel onder de plak bij oma.
Leo was een streber. Hij bracht het in de jeugdvereniging tot voorz van het hoofdbestuur en trouwde met de rijke Lien Lorjé, waardoor hij in de papierzaak in Groningen kwam te werken.
De fam v.d.L. bestond uit 10 broers, waarvan opa Carel een van de jongere was. Ze hadden allerlei vakken, 2 hadden een herenmodezaak, 2 een grossierderij in huish. art., 1 was kapper, 1 deed iets in de horeca[3] en de rest weet ik niet precies.
De fam. Cohen bestond uit 5 broers en zusters, waarvan Oma de oudste Was. Louis oudste broer, waarvan de kleinzoon de jullie bekende slagwerker in Israel is. De jongere kinderen, de meisjes Jet en Bertha hadden geleerd en waren beide ongetrouwd. Jet was telegrafiste en Bertha hoofd van een Montessori kleuterschool.
Manu werkte toen nog bij het Handelsblad, meestal in avonddienst van 7 tot 1, een enkele keer gemengde dienst, ook enkele uren overdag.
Dagdienst had hij practisch nooit. Overdag studeerde hij. Vaak ging hij daarvoor naar de Openbare leeszaal op de Keizersgracht. ‘s Avonds als Manu naar het werk was en nadat Eefje geboren was, was ik practisch altijd alleen, Ik kreeg dan soms bezoek van nog niet getrouwde viendinnen (Selien, Eva, Truus Hijmans, Seraphien enz). Op Vrijdagavond aten we meestal bij mijn ouders in de Valeriusstr. en op zaterdagavond bij mijn schoonouders. Dat was voordelig.
Ik had speciaal voor de luiers een dagmeisje tot 1 uur. Ze verdiende, ik geloof F 4.- per week. Er bestonden toen nog geen papieren luiers en er was ook nog geen wasmachine.
Eefje was op 16 December 1937 in de Ciz geboren. Als we wel eens ’s avonds uitgingen, dan pasten opa en oma v.d.L. op. We zeiden dat van tevoren aan Eefje. Pas veel later hoorden wij dat ze dan prompt na een poosje wakker werd, opgenomen werd, een kopje thee kreeg en weer netjes sliep als we thuis kwamen!
Na het Handelsblad solliciteerde Manu bij de Ver. Accountantskantoren, welke baan hij ook kreeg. Na enige jaren maakte hij promotie en zou hij in het filiaal Hengelo gaan werken We hadden ons daar zeer op verheugd, vooral ook omdat tante Jopie (Sanders) in Enschede getrouwd was. We bekeken al tuinmeubelen en dachten erover hoe we ons huis (buiten) zouden inrichten. Maar het ging allemaal niet door.
Mei 1940 begon de oorlog. Hadden we daar in het begin weinig last van, langzamerhand kwamen de Jodenmaatregelen. We mochten nu niet meer in bepaalde winkels, niet in de tram, de ster, enz. Er begonnen ook razzia’s en we kregen evacué’s, de fam van der Hoek. (bakker uit Hilversum) man vrouw en baby (meisje), die daar niet meer mochten wonen. Zij hadden de studeerkamer en de baby sliep samen met Eefje.
Ik herinner mij 2 razzia’s. De Dintelstr was afgesloten. Er waren nog geen v.d.Hoeks. Manu, blond, ging met een brutaal gezicht sigaret in de mond voor het raam staan. Moffen gingen voorbij, 2. Manu en de beide v.d.Hoeks zaten verstopt tussen de kisten op de zolderkamer, ik (in verwachting van Joost), Eefje en baby beneden. Er werd wel gebeld, niet opengedaan en de deur werd ook niet ingetrapt.
In de Dintelstraat werd Joost 16 October 1942 geboren.(ach die ene keer, zolang zal de oorlog niet meer duren). In een ziekenhuis was veel te riskant. De Dr kwam even voor 7 (Spertijd en ging om 10 uur weg. Ze hield iets voor haar ster. We kregen hulp van een Joodse kraamverzorgsters—opleiding. Als die er niet was hielp Manu. Toen kwam het grote dilemma, moest Joost al of niet besneden worden? En we besloten na heel veel wikken en wegen, ja toch (niches—bijgeloof).
Toen Joost enkele maanden oud was moesten we verhuizen naar een Joden—viertel, de Transvaalstraat, een benedenhuis. Maar het duurde niet lang of onderduik werd overwogen. De kinderen gingen via Mr. Jacob Frankel, nu in Haifa en de Dr. Er kwam een niet-Joods meisje naar ze kijken Begin 1943 ging eerst de baby. Ik ging met de kinderwagen, waarin onderin een bergplaats voor wat kleertjes naar de Ceintuurbaan. Daar ontmoette ik het meisje, van wie ik geen naam ken[4]. Zij nam de kinderwagen over en ik verdween in een zijstraat. Eefje ging enkele weken later. Manu bracht haar naar Sal en Seraphien Boas. Vandaar zou ze gehaald worden. Hij kwam alleen thuis en hij huilde.
Opa Emanuel was zeer intelligent, maar de makkelijkste was hij bepaald ook niet en dus botsten we wel eens, vooral ook omdat ik geen gedweeë huisvrouw bleek te zijn. In de brief uit Bergen-Belsen maakt hij er een opmerking over. Wel was opa Em. muzikaal en ging graag naar concerten.
Tenslotte moesten we zelf onderduiken. Via buren van Leo v.d.L. die in Haren Gr. woonde vond ik een plaats in Haren. Manu met zijn niet Joodse uiterlijk en dito naam ging voor het filiaal Twente werken en woonde in pension in Eindhoven. Hij was evenals ik in het bezit van een vals persoonsbewijs op eigen naam, maar zonder de J. Hij reisde tussen Hengelo en Eindhoven en dat is hem op een dag funest geworden, men ontdekte bij een treincontrole dat het persoonsbewijs vals was. Via de Scheveningse gevangenis (Oranjehotel) kwam hij in Westerbork als strafgeval.
Ik kwam in Haren, als huishoudster bij de huishoudster van een oude boerin die een groot eigen huis bewoonde. Ik sliep in een bedstee Er was geen waterleiding, alleen een pomp en er was een plee.
Het huis had een enorm grote moestuin met veel hele hoge vruchtbomen En in de zomer had ik het er druk mee. Voor de rest hield ik het huis schoon. De echte huishoudster kookte. Zijzelf had donker haar en eens merkte ze op ‘Ge kon wel een Jodin zijn’, maar weten deed ze niets. Mevr. de boerin wel. Deze was de moeder van 2 doktoren en haar dochter een onderwijzeres was met een professor van Wageningen getrouwd. Ik ging bijna nooit uit, maar een enkele keer moest ik op visite bij andere huishoudsters. Het dorp zat vol met oude rustende boerengezinnen met huishoudsters.
Af en toe kwam Manu op visite. Wij logeerden dan bij de vrienden van Leo, die mij de plaats bezorgd hadden. We sliepen slecht samen in één bed.
Toch ging het dorp kletsen en men vond het raadzamer dat ik weg ging. Ik reisde terug naar Amsterdam per trein en kwam in huis bij de familie Bronkhorst. Rie Bronkhorst was onze contactpersoon. Toen we nog gewoon in A’dam woonden bracht zij ons groenten. Haar zuster was getrouwd met de onderwijzer Koos van der Lijn (niet Joods). Mijn vals pb werd Nel Bronkhorst. Daar ben ik tot de bevrijding gebleven.
We hadden het in de hongerwinter zeer krap met voeding maar er was toch nog zeer af en toe een stukje clandestien geslacht vlees (voor heel veel geld) te bemachtigen of een litertje melk. We woonden midden van de boeren.
Joost ging naar Twente. De man daar was een reserveofficier en na enige tijd vond men dat gevaarlijk en verzocht men het kind over te plaatsen, Het meisje [van het verzet] ging er heen en vond het kind in de wagen in de tuin staan, zonder dat er iemand thuis was. Ze wachtte een poosje maar toen het tijd voor haar trein werd graaide ze wat kleertjes bij elkaar en vertrok.
Joost kwam daarna bij tante Bets. De fam Koene had een meisjes- baby gevraagd omdat tante Bets al 2 jongens had en ze spraken af ze zouden dit kind eerst nemen en als er een meisje kwam, zouden te ze de kinderen omruilen. Maar zoals tante Bets vertelde zodra Joost tegen haar begon te lachen was zijn pleit gewónnen. Hij mocht blijven. Daar men geen naam van hem wist, mochten de jongens Koene er een uitzoeken en zo werd Joost als Eddy Koene ingeschreven in het persoonsbewijs van oom Gé (clandestien).
Eefje ging aanvankelijk naar Haarlem naar de fam v. Emmerik. Ze maakte -het ze soms wel lastig door b.v. te vragen aan oom Abert, “mag jij wel op de fiets, mijn vader niet” enz. Maar ook daar moest ze na enige tijd weg. Toen kwam ze bij de fam Hardy in Eysden (Limburg) Die hadden daar een slagerij Het waren 2 ongetrouwde zusters en 3 ongetrouwde broers. Men zei daar dat ze een kind uit Rotterdam was. Ze had het er heel goed. Als er alarm in het dorp was ging tante Corry met haar in een bootje de rivier over naar België. Ze ging ook naar de zr.(nonnen) school en kon heel goed leren. Ze waren in het Zuiden veel eerder bevrijd, dan in het N. en toen wij ook bevrijd waren stond Eefjes naam op een lijst van opgedoken kinderen in Eindhoven.
Na de bevrijding hoorde ik het adres van Joost in Wormerveer. Ik ben daar ook eens heen geweest, met de schilleboer op de bok tot de rand ven de stad en dan verder wandelen. Tegen tante Bets zei Eddy mamma en mij noemde men tante Nel.
Ria Bronkhorst werd na de bevrijding kwaad met mij ten onrechte door een brief ven Frits Rosenberg die ze gelezen had en die schreef dat de niet-Joden dikwijls niet belangeloos geholpen hadden. Dat kon van Ria niet gezegd worden, maar dat geloofde ze niet. Ik ging daarom zo gauw mogelijk bij ze weg maar ik had geen huis of ergens waar ik permanent kon wonen en daarom sliep ik dan eens hier en dan eens daar bij bekende mensen (tante Claar, tante Ali, mijnheer Keizer, Roos) etc,
Inmiddels had ik nog bij de familie Bronkhorst uit een brief van mevr. Douwenga vernomen dat ook Menu niet terug zou komen. Oom Frits die toen op het vliegveld van Marseille als tolk werkte had verlof genomen en was naar Nederland gekomen Hij bezocht opa en oma Hijmans in Oudega, mij en ook Eefje. Inmiddels wisten we ook van het overlijden van tante Jopie Sanders. Frits ging terug naar Frankrijk en ik heb het toen per brief aan mijn ouders moeten mededelen.
Opa Hijmans had daarna geen rust meer in Friesland en kwam terug neer Amsterdam. Hij en oma kwamen in huis bij tante Ali Poolen (onze vroegere dienstbode Juf).
Ik nam per brief contact op met tante Corry en deze schreef me terug. Ze schreef vol lof over Eefje en verder “dat haar vader overleden is kan haar niet schelen”. Ze wilde Eefje graag daar houden.
Het was niet zo’n aardige brief en ik ging er mee (naar oom Gé (pleegvader Joost): “Wat moet ik ermee” vroeg ik hem. “Je moet er direct heen, het kind terughalen”. Maar ik heb geen huis, niets waar ik het kind ontvangen kan”. “Dan komen jullie maar bij ons in Wormerveer”
En zo gebeerde het. Ik ging per trein en verder met open vrachtwagens, want de bruggen over de grote rivieren waren allen kapot naar Eysden, waar ik toen enkele dagen was. Iedereen sprak er plat Limburgs, ook Eefje. Dat is een mengelmoes van Ned, Frans en Duits. Ik verstond daar niets van en voelde me verkocht en verraden. Daarna ging ik met Eef terug naar Eindhoven en kwamen daar in huis bij mevr. Douwenga (Ver. acc. Kantoren). Hoe en wanneer weet ik niet precies meer, maar ik deed daar enige weken de huishouding.
Mevr. D. sloeg voor dat ik daar met de kinderen zou komen wonen als huishoudster. Maar dat wiIde ik niet, ik wilde terug naar Amsterdam en een eigen WONING. We gingen met een ambulance-auto (Dr Spangenthal) terug.
In Holland terug, kwamen we in huis bij tante Bets en oom Gé, waar we enige maanden bleven. Eefje kwam er in de 1ste klas.
Blij met de bevrijding kon je onmogelijk zijn, om te treuren had je eenvoudig geen tijd.
Na de bevrijding en nadat ik van Mevr. Douwenga per brief (ik denk dat zij het van het Rode Kruis had) had vernomen dat Manu niet terugkwam, was een akelige tijd. Blij met de bevrijding kon je onmogelijk zijn, om te treuren had je eenvoudig geen tijd. Er was zoveel te doen. De kinderen terugkrijgen, vader en moeder op de hoogte brengen, een eigen huis en daar ook nog iets in, Geld, levensverzekeringen opeisen of afkopen, etc. Steun van andere mensen kreeg je niet. Iedereen had het druk met zijn eigen besognes, hoe bouw ik mijn zaak weer op enz.
Voor een eigen woning heb ik vreselijk gelopen (letterlijk). Je kon in die tijd NSB- woningen krijgen, dikwijls hele mooie waar de N.S.B.-ers uitgetrokken waren (gevlucht)? met nalating van meubelen, maar dat wilde ik per se niet Ik vroeg een woning in West en kreeg een aanbod aan het eind van de Adm. de Ruyterweg. Dat wilde ik niet. Daarna bood men mij, samen met Opa en Oma de Hoofdweg aan. Toen ik nog aarzelde, zei men mij dat ik weer onderaan de lijst zou komen als ik dit niet nam en dús nam ik het. Er was geen badkamer, er lag niets op de vloeren er stond niets in.
Ik begon met iets aan te vragen bij volksherstel en ik kreeg een tafel en 6 houten stoelen en een aantal oude bedden en verder van deze en gene wat. We beitsten de vloeren en na enige tijd kwam uit de (oude) woning van opa en oma Hijmans in de Maasstr. Linoleum en een Perz. vloerkleed terug. De woning, lag beneden en had 6 ramen aan de straatkant (hoek). Daarvoor kon ik alleen op de bon wat vitrage krijgen. Aangezien je dan volkomen op straat leefde, maakte oom Ge van nieuwe gestreepte ligstoelenstof gordijnen voor me, die ‘s avonds naar beneden konden.
En daar begonnen we opa en oma, Eefje en ik. Inmiddels, toen ik nog in Wormerveer was, begon ik te werken als maatsch werkster bij [J&O?, later] JMW. Iedere morgen met de trein in goederenwagens naar Amsterdam voor halve dagen. Later op de Hoofdweg als ik een beetje laat thuis kwam (ik werkte halve dagen), was Eefje hopeloos (bang) boos. Daar kon ik toch niets aan doen, de trams waren nog lang niet o.k. en de afstand van de Hoofdweg naar de Joh. Vermeerstr. te ver om te lopen. Wel had ik, altijd gelopen van het onderduikadres op de Malleweg [?] naar het CBH (Alhambra) [=Weteringsschans/ Frederiksplein]
Na enige tijd kwam ook Joost (Eddy) erbij. Vooral oom Ge had daar veel last van. Maar de afspraak met tante Bets was dat ze de eerste tijd niet zouden komen om het kind de overgang niet te moeilijk te maken. Oom Ge kwam na enkele weken toch. Hij keek door het raam en ik liet hem erin maar tante Bets bleef nog geruime tijd weg.
Joost liep de eerste dagen door het huis roepend en zoekend, mamma, mamma. Maar het wende.
Manu en ik waren ondergedoken met achterlating van alle meubelen enz. Slechts een deel van het linnengoed en het tafelzilver had ik laten onderduiken. Een Handelsbladcollega Da Silva heeft nog geprobeerd het weg te halen, maar dat mislukte en dus werd alles gepulst (de verhuisfirma Puls haalde alles weg bij de Joden en dat, ging dan naar Duitschland. Ik heb nog geprobeerd het nieuwe gasfornuis stuk te slaan maar toen dat niet lukte heb ik de branders in het vuilnisvat gegooid.
Na de oorlog moest ik ook – ik denk voor distributiekaarten – bewijzen dat Eefje mijn kind was. Ik ging daarvoor met men. Keizer, (collega van Manu op het Handelsblad) ergens bij de Nieuwendijk – die dat bevestigde.
Lien en Leo v.d.L.- Lorjé hadden 3 kinderen Lily, Felicia, Careltje. Voor Careltje was in Amsterdam een onderduikadres gevonden, maar Lien beweerde dat ze niet zonder haar kinderen kon en dus ging Careltje mee naar Westerbork en verder.
De Ver. Accountantskantoren hebben voor hun beide Joodse medewerkers, die weg waren, Manu en Pinkhof een zeer kleine advertentie in de krant gezet en dat was alles!
Oom Ben Sanders (zwager van tante Jopie) was met zijn hele gezin weer opgedoken en had een woning op de Joos Banckersweg weten te bemachtigen. Dat was een van de adressen waar ik wel eens sliep. Hij heeft direct werk gemaakt om Joop Sanders weg te halen uit het pleeggezin, de Ponsteens in Nijverdal. Op zichzelf was dat juist, Joodse kinderen hoorden in Joodse gezinnen en hij was er zo vlug bij dat Joop (Hansje) al in A’dam was voordat OPK (oorlogspleegkinderen) begon met moeilijkheden. Maar hij had geen rekening gehouden met het kind zelf, dat daardoor overgeplaatst werd van een zeer rustig onderwijzersgezin, waar hij verwend was, naar het zeer drukke gezin van oom Ben, waar de 2 jongens ondergedoken waren geweest in zoiets als de Jordaan van Leiden en drukke belhamels waren. Bovendien veranderde men zijn naam Hansje ook nog eens in Joop omdat er al een Hansje was. Het was door tante Claar hèèl aardig bedacht, zo heette hij naar zijn Moeder. Dat was achteraf bekeken natuurlijk verkeerd. Het ging dan ook goed mis met hem in het gezin van Ben en Claar.
Wij kinderen Hijmans hadden een fijne jeugd en ik geloof dat ik daardoor de boel na de oorlog zo goed aankon.
Nadat Oma Hijmans plotseling overleden was is Opa Hijmans dement geworden. (Dat was al eerder begonnen). Ik zat avond aan avond met hem thuis en ook voor de kinderen was dat zeer onprettig. Soms herkende hij niemand, zelfs mij niet of hij ontvluchtte ‘s nachts het huis door het raam en werd dan door de sigarenjuffrouw (winkel op de hoek) naar huis gebracht. Tenslotte ging dat niet meer. Ik ben toen een eindeloos aantal bejaardenhuizen afgegaan maar de meeste waren niets, hij werd er opgesloten of zo. Op het laatst heb ik hem bij Zr. Drieduite kunnen plaatsen. Dr. De Haas heeft hem dat meegedeeld. Ik dacht dat hij wel heel boos op mij zou zijn maar dat was niet het geval. Hij is er eerst zelf gaan kijken en o.a. het feit dat er een badkamer was heeft hem ermee verzoend. Op mijn vraag wie hem wegbrengen zou, oom Frits of ik, zei hij heel positief dat ik dat doen moest.
Toen ik die avond, zeer triest thuis kwam liepen Joost en Joop met pandeksels door het huis lawaai te maken. Op mijn vraag ‘waarom?’ luidde het antwoord: nu kunnen we het eindelijk doen, zonder Opa.
Hoe anders zou mijn leven er uitgezien hebben als Menu teruggekomen was? We zouden dan vrij zeker naar Israël geëmigreerd zijn. Nu durfde ik dat niet alleen en ik kon ook Opa en Oma Hijmans niet alleen achterlaten.
Na al die drukke en moeilijke jaren was ik, hoeveel ik ook van hem gehouden heb na Opa’s overlijden opgelucht. Ik ben toen weer halve dagen hij JMW gaan werken.
Intussen was Eefje naar Israel, Joop studeerde in Rotterdam en Joost in Wageningen. Eddebeth was bij mij in huis. Daar had Eef voor gezorgd voor ze weg ging, opdat ik niet alleen zou zijn.
Toen vond ik echter dat ik eindelijk ook eens een eigen leven mocht hebben, ik heb toen, van JMW en jaar non-actief gevraagd en ben na Joost’s 21ste verjaardag naar Israel gegaan. Ulpan Akiwah in Natanya. Sorry Joost, maar je had toen ook Yvonne al.
In de Ulpan maakte ik kennis met Jitsgak, die jullie allemaal gekend hebben.
Hoe dankbaar ben ik voor de 18 prachtige jaren die ik nog samen met hem gehad heb!
Directe familieleden die “weg” zijn
Em v.d. Lijn
Carel “
Eva “ -Cohen
Leo “
Lien “ -Lorje
Lily “
Careltje “
Baby [Felice] “
“
Bernhard Sanders
Josine “ -Hijmans
Rika Groenman-Hijmans
Oom Abram v.d.Lijn + vrouw
“ David + 2 zoons + dochter + man en kind
“ Pol + vrouw en zoon[5]
“ Kerklaan + vrouw en 2 Kind.
“ Foresters + vrouw en zoon
“ den Haag + vrouw en dochter
“ Alkmaar + vrouw
“ ? vrouw en 2 kind
“ ? vrouw en 2 kind
“ ? vrouw en 2 kind.
Oom Louis Cohen + vrouw en 1 zoon
Saar Keyl-Cohen + man
Bertha Cohen[6]
Jet Cohen
[1] Stamboom en oude papieren gedeeltelijk bij Joop Sanders, Joost v.d.Lijn.
[2] Jet (Henriette) en Rika ()
[3] Opm Joost – twee broers aten in de horeca: *Alexander: was kok bij de Forresters, Hyman een pension in Zandvoort (en later? een levensmiddelenzaak in Haarlem). Een dochter van Alexander (Liesje/Elizabeth) overleefde de oorlog en verhuisde naar Canada, een waarschijnlijk licht geestelijk gehandicapte zoon overleefde in België de oorlog, zie link
[4] Joost: Tine Boeke-Kramer (1919-2018
[5] (Leopold) x Annetje (Hannah de Roos?) → Dina x Bonnettemaker (eerst Den Haag, daarna Vancouver) → Monnie (Simon) & Anneke;
David en Pol hadden een zaak in huishoudelijke artikelen op de Achtergracht in Amsterdam en waren getrouwd met twee zusters De Roos.
[6] Fröbelonderwijzeres, hoofd der school