De Middernacht spoken en de koffergrammofoon
Teunis, ik vind het een dwaas verhaal, dat je me komt opdissen aldus dorpsverdwachter de Boer. Ik geloof er niets van, dat er op de weg naar Heimdorp spoken rondwaren. Ik heb nog nooit gehoord, dat we er hier in Duinbergen spoken op na houden. En dan de onzinnige bewering van muziek en gemiauw van katten, die je ook gehoord zou hebben. Je zult op de bok van je wagen hebben zitten dromen. Ga maar gauw naar huis en kom mij in het vervolg niet meer tegen middernacht het bed uit halen.
— Veldwachter je kunt mij geloven of niet, maar ik bezweer het je. Op het duin in de kromming van de weg, even voorbij de schuur van Geurtsen. Het waren drie witte gestalten! En een gekke geluiden! Maar ik heb je gewaarschuwd en voorlopig krijgen ze mij ’s avonds in het donker die kant niet meer uit.
— Dat moet jij weten, Teunis maar ik ga mijn bed weer opzoeken. Veldwachter de Boer was een beetje nijdig. In zijn rustig dorpje gebeurde zelden iets. Veel zomergasten kwamen er niet, daar had je dus geen drukte van- en om tien uur lagen vrijwel alle dorpelingen in zoete rust verzonken. En nu was hij op eens tegen twaalf plotseling door die
Teunis uit zijn bed getrommeld. Ha, ha hij moest er om lachen, zo onzinnig was het.
Even later lag onze dorpsveldwachter weer rustig te slapen.
Hé wat was dat, werd er nu alweer geklopt? “Ja wie is daar”, riep veldwachter de Boer met barse stem.
— Ja ik, Rikus Veenstra, veldwachter ik moet je direct spreken.
De Boer schoot haastig wat kleren aan en opende de voordeur van zijn huisje. Bevend als een riet en doodsbleek stond Rikus Veenstra daar voor hem.
— Nou wat is er ?
— Oh Veldwachter daar net…vlak voor twaalf uur… achter de schuur van Geurtsen…
— Zo wat was daar?
— Ja spoken veldwachter, drie.
— Ach wat spoken! Je zeurt, je komt me wat wijs maken. Dat komt er van als je laat bij de weg bent. Een fatsoenlijk mens hoort al lang te slapen.
— Ja maar ziet u, veldwachter, ik moest naar Helmdorp om de veearts te halen. Mijn paard is ziek.
Veldwachter de Boer krabde zich eens achter zijn oor. Eerst Teunis Blom en nu Veenstra, dat was verdacht. Hij zou/toch maar eens gaan kijken, al voelde- hij niet veel voor een nachtelijke wandeling. En voor alle zekerheid zou hij de jachtopziener maar meenemen, je kon toch nooit weten.
— Weet je wat Veenstra, ga jij maar gauw naar je zieke paard, dan ga ik wel eens naar die spoken kijken !
— Past u maar goed op veldwachter!
— Ja ja, dat komt in orde hoor, Veenstra. En het beste met je paard.
Tien minuten later waren twee mannen op weg in de richting Helmdorp, naar de schuur van Geurtsen.
— Ga jij maar een klein eindje vooruit jachtopziener, de spoken mochten eens bang zijn voor mijn uniform. Ik blijf hier achter deze haag staan en op je eerste sein kom ik.
Even later kwam de jachtopziener terug.
–Ja, ja ik heb ze gezien, drie gedaanten in het wit gehuld. Ze gluur- den over de rand van de duinpan heen. Eén miauwde,ook klonk er telkens een lang gerekt oeoeoeoe… en muziek ook. Alleen er op af gaan om in die duinpan te kijken, daar voel ik niet veel voor, maar als je meegaat veldwachter. Ik heb net gedaan of ik doodsbenauwd was en ben hard weg gelopen.
— Een klein beetje bang zal je ook wel geweest zijn ,jachtopziener. Maar laten we er maar eens samen op af gaan.
In het nachtelijk donker gingen nu de twee mannen op de beruchte duinpan af. Nog steeds kwamen de drie spoken telkens naar boven wippen. Plotseling zagen zij twee mannen waarvan één in uniform, recht op hen af komen. Voor de spoken, die er vermoedelijk aan gewend waren, dat iedereen hard de benen voor hen nam, was dit schijnbaar een vreemde en minder plezierige gewaarwording. Plotseling renden zij overhaast weg in de richting van de verderop gelegen bossen.
De jachtopziener greep naar zijn geweer.
— Niet doen jachtopziener, vooruit er achter aan.
De twee mannen holden het duin op.
— Wacht eens even, wat ligt daar??Kom eens hier jachtopziener. Oh ik zie het al! Een koffergrammofoon, ga maar mee naar huis terug, ik geloof niet, dat wij de spoken verder behoeven te achtervolgen. Ik heb zo’n idee, dat het hier vanavond wel voor de laatste maal gespookt zal hebben.
— Wel te rusten veldwachter!
— Wel te rusten jachtopziener, bedankt voor de assistentie.
Het huis van de veldwachter mocht zich de volgende dag in de belang- stelling van alle dorpelingen verheugen. Het verhaal van Blom en Veenstra was als een lopend vuurtje door het dorp gegaan. En nu stond voor de ramen van de veldwachter een raar instrument met daarbij een briefje:
Ieder die inlichtingen over deze koffergrammofoon kan geven wordt verzocht zich bij de veldwachter te melden!
Dr Wilders die zijn patienten ging bezoeken, zag voor het huis van de veldwachter het oploopje. Gek is dat, Dat zie je hier vrijwel nooit. Even kijken.
… Dokter, klonk het van alle kanten, heb je al gehoord van de spoken Dokter Wilders drong zich door de menigte. Drommels daar stond zijn koffergrammofoon. Hoe kwam die hier? Hij zou het de veldwachter eens gaan vragen.
— Dus dat is Uw koffergrammofoon dokter?
— Ja hoe kom jij daaraan de Boer?
— Een ogenblikje, eerst nog een vraag. Hebt U misschien logés? –Ja twee neefjes uit de stand van 12 en 14.
Oh, dan is de zaak verder eenvoudig. Weet u wat, dokter, vraagt U vanmiddag maar eens thuis aan de jongens waar de koffergrammofoon is, dan zal het raadsel wel spoedig zijn opgelost. Voorlopig zal ik hem maar van, het venster vandaan nemen.
— Jongens zei Dr Wilders na het koffiedrinken, gaan jullie vanmiddag mee met de wagen?
— Graag was het prompte antwoord.
— Ja weet je wat, dan zullen wij de koffergrammofoon meenemen.
— Jan, wil jij hem even voor mij pakken en in de auto zetten? Kom jong, schiet een beetje op, wat sta je te draaien, je weet hem toch wel te vinden? hij is hier in huis, waar dan ? Weten jullie dat niet?
Eerst wat hakkelend, later, vlotter kwam het verhaal er uit. Hoe het plan om te spoken bij hen was opgekomen, dat zij zich de vorige avond langs de spijlen van het balcon van hun slaapkamer naar beneden hadden laten glijden, gewapend met een oude kachelpijp en de koffergrammofoon, en voorzien van lakens. En hoe de spookpartij verstoord was door de komst van veldwachter en jachtopziener.
’s Morgens hadden zij tevergeefs gezocht naar de, bij de overhaaste vlucht achtergelaten, koffergrammofoon.
— Vooruit jongens laten wij dan maar instappen zonder het muziekinstrument. Misschien weet ik wel een adres waar het terug te krijgen is sprak Dr Wilders.
Toen zij bij het huis van de veldwachter stopten, voelden de drie spoken zich weinig op hun gemak.Kom jongens, laat nou eens zien, dat je kerels bent. Nu gaan jullie met zijn drieën vragen aan de veldwachter, of hij onze grammofoon soms heeft. Ik wacht hier wel in de auto.
— Zo, dus jullie wilden de grammofoon terug hebben, zei veldwachter de Boer en hij probeerde zijn ernstigste gezicht te trekken. Tja, dit is eigenlijk geconfiskeerd. En bovendien moet ik nog proces verbaal tegen jullie opmaken wegens verstoring van de openbare orde.
— Och veldwachter, we hadden het maar als een grapje bedoeld.
— Ik denk dat jullie, toen jelui vannacht zonder de grammofoon de vlucht moesten nemen, wel genoeg gestraft zullen zijn. Maar denk er om, ik wil niet weer uit mijn slaap gehaald werden door spoken. “Wij hebben in Duinbergen nog nooit spoken gehad en dat moet zo blijven, begrijp je. Want de volgende maal bergen wij de spoken veilig op in een cel onder het raadhuis. Hier is het ding. Smeert hem maar! En veel plezier op jullie autotochtje vanmiddag.
Veldwachter de Boer heeft gelijk gekregen. Die nacht had het voor de laatste maal gespookt bij de weg naar Helmdorp.
V.D.Linius.