Lies en Manu van der Lijn lieten in 1943 hun kinderen onderduiken. Hier enkele herinneringen uit en ook van na de oorlog in 1945. Waar waren de kinderen, waar wonen, hoe opnieuw beginnen? Na de bevrijding was geen feest
Mei 1940 begon de oorlog. Hadden we daar in het begin weinig last van, langzamerhand kwamen de Jodenmaatregelen. We mochten nu niet meer in bepaalde winkels, niet in de tram, de ster, enz. Er begonnen ook razzia’s en we kregen evacué’s, de fam v.d.H. uit Hilversum, man vrouw en baby (meisje), die daar niet meer mochten wonen. Zij hadden de studeerkamer en de baby sliep samen met E [=5 jaar oudere zusje van Joost].
Ik herinner mij 2 razzia’s. De Dintelstraat was afgesloten. Er waren nog geen v.d.H’s. Manu [=vader Joost], blond, ging met een brutaal gezicht sigaret in de mond voor het raam staan. Moffen gingen voorbij; bij de tweede: Manu en de beide v.d.H’s zaten verstopt tussen de kisten op de zolderkamer, ik, E en baby beneden. Er werd wel gebeld, niet opengedaan en de deur werd ook niet ingetrapt.
In de Dintelstraat werd Joost … October 1942 geboren.(ach die ene keer, zolang zal de oorlog niet meer duren). In een ziekenhuis was veel te riskant. De dokter kwam even voor 7. (spertijd en ging om 10 uur weg; ze hield iets voor haar ster). We kregen hulp van een Joodse kraamverzorgstersopleiding. Als die er niet was hielp Manu. Toen kwam het grote dilemma, moest Joost al of niet besneden worden? En we besloten na heel veel wikken en wegen, ja toch (niches=bijgeloof).
Onderduiken
Toen Joost enkele maanden oud was moesten we verhuizen naar een “Joden-viertel”, de Transvaalstraat, een benedenhuis. Maar het duurde niet lang of onderduik werd overwogen. De kinderen gingen via JF en de dokter. Er kwam een niet-Joods meisje naar ze kijken. Begin 1943 ging eerst de baby. Ik ging met de kinderwagen, waarin onderin een bergplaats voor wat kleertjes naar de Ceintuurbaan. Daar ontmoette ik het meisje, van wie ik geen naam ken[1]. Zij nam de kinderwagen over en ik verdween in een zijstraat. E. ging enkele weken later. Manu bracht haar naar SB. Vandaar zou ze gehaald worden. Hij kwam alleen thuis en hij huilde.
…..
Joost ging naar Twente. De man daar was een reserveofficier en na enige tijd vond men dat gevaarlijk en verzocht men het kind over te plaatsen, Het meisje [van het verzet] ging er heen en vond het kind in de wagen in de tuin staan, zonder dat er iemand thuis was. Ze wachtte een poosje maar toen het tijd voor haar trein werd graaide ze wat kleertjes bij elkaar en vertrok.
Joost kwam daarna bij tante Bets. De fam Koene had een meisjesbaby gevraagd omdat tante Bets al 2 jongens had en ze spraken af dit kind eerst te nemen en als er een meisje kwam, zouden ze de kinderen omruilen. Maar zoals tante Bets vertelde zodra Joost tegen haar begon te lachen was zijn pleit gewonnen. Hij mocht blijven. Daar men geen naam van hem wist, mochten de jongens Koene er een uitzoeken en zo werd Joost als Eddy Koene ingeschreven in het persoonsbewijs[2] van oom Gé [Koene] (clandestien).
Na de bevrijding
Kinderen terugkrijgen
Na de bevrijding hoorde ik het adres van Joost in Wormerveer. Ik ben daar ook eens heen geweest, met de schillenboer op de bok tot de rand ven de stad en dan verder wandelen. Tegen tante Bets zei Eddy mamma en mij noemde men tante Nel.
….
Ik nam per brief contact op met [pleegmoeder van E.] en deze schreef me terug. Ze schreef vol lof over E. … Ze wilde E. graag daar houden…
Ik ging er mee naar oom Gé (pleegvader Joost): “Wat moet ik ermee” vroeg ik hem. “Je moet er direct heen, het kind terughalen”. Maar ik heb geen huis, niets waar ik het kind ontvangen kan”. “Dan komen jullie maar bij ons inWormerveer”
En zo gebeurde het. Ik ging naar Limburg per trein en verder met open vrachtwagens, want de bruggen over de grote rivieren waren alle kapot … Daarna ging ik met E. terug naar Eindhoven en kwamen daar in huis bij mevr. D. Hoe en wanneer weet ik niet precies meer, maar ik deed daar enige weken de huishouding.
Waar wonen
…Ik wilde terug naar Amsterdam en een eigen WONING.
In Holland terug, kwamen we in huis bij tante Bets en oom Gé, waar we enige maanden bleven. E. kwam er in de 1ste klas.
Blij met de bevrijding kon je onmogelijk zijn, om te treuren had je eenvoudig geen tijd.
Na de bevrijding en nadat ik van Mevr. D. per brief (ik denk dat zij het van het Rode Kruis had) had vernomen dat Manu niet terugkwam, was een akelige tijd. Blij met de bevrijding kon je onmogelijk zijn, om te treuren had je eenvoudig geen tijd. Er was zoveel te doen. De kinderen terugkrijgen, vader en moeder op de hoogte brengen, een eigen huis en daar ook nog iets in, Geld, levensverzekeringen opeisen of afkopen, etc. Steun van andere mensen kreeg je niet, Iedereen had het druk met zijn eigen besognes, hoe bouw ik mijn zaak weer op enz.
……
Voor een eigen woning heb ik vreselijk gelopen (letterlijk). Je kon in die tijd NSB- woningen krijgen, dikwijls hele mooie waar de N.S.B.-ers uitgetrokken waren (gevlucht?) met achterlating van meubelen, maar dat wilde ik per se niet. Men bood mij, samen met Opa en Oma de Hoofdweg aan, Toen ik nog aarzelde, zei men mij dei ik weer onderaan de lijst zou komen als ik dit niet nam en dús nam ik het. Er was geen badkamer, er lag niets op de vloeren er stond niets in.
Ik begon met iets aan te vragen bij volksherstel en ik kreeg een tafel en 6 houten stoelen en een aantal oude bedden en verder van deze en gene wat. We beitsten de vloeren en na enige tijd kwam uit de oude woning van opa en oma Hijmans … linoleum en een vloerkleed terug. De woning, lag beneden en had 6 ramen aan de straatkant (hoek). Daarvoor kon ik alleen op de bon wat vitrage krijgen. Aangezien je dan volkomen op straat leefde, maakte oom Gé van nieuwe gestreepte ligstoelenstof gordijnen voor me, die ‘s avonds naar beneden konden.
En daar begonnen we opa en oma, E. en ik.
Werk, ‘nieuwe mamma’, ‘bewijs dat het je kind is’
Inmiddels, toen ik nog in Wormerveer was, begon ik te werken als maatschappelijk werkster…. Iedere morgen met de trein in goederenwagens naar Amsterdam voor halve dagen. Later op de Hoofdweg als ik een beetje laat thuiskwam (ik werkte halve dagen), was E. hopeloos (bang) boos. Daar kon ik toch niets aan doen, de trams waren nog lang niet o.k. en de afstand van de Hoofdweg naar [het werk] was te ver om te lopen. Wel had ik, altijd gelopen van het onderduikadres naar het CBH (bureau huisvesting – bij Alhambra).
Na enige tijd kwam ook Joost (Eddy) erbij. Vooral oom Gé had daar veel last van. Maar de afspraak met tante Bets was dat ze de eerste tijd niet zouden komen om het kind de overgang niet te moeilijk te maken. Oom Gé kwam na enkele weken toch. Hij keek door het raam en ik liet hem erin, maar tante Bets bleef nog geruime tijd weg. Joost liep de eerste dagen door het huis roepend en zoekend, mamma, mamma. Maar het wende.
Ik heb ook na de oorlog, ik denk voor distributiekaarten, moeten bewijzen dat E. mijn kind was. Ik ging daarvoor met meneer K. (collega van Manu op het Handelsblad) ergens bij de Nieuwendijk – die dat bevestigde.
……
[1] Joost: Tine Boeke-Kramer (1919-2018)
[2] Preciezer: “De plaatselijke huisarts S. Klopper regelde dat Joost als ‘Eddy’ als een nakomertje in het trouwboekje werd bijgeschreven” (bron: https://www.joodsmonumentzaanstreek.nl/van-der-lijn-joost/)