(Uitgesproken bij 4 mei herdenking)
Dames en Heren, jongens en meisjes,
Herdenken is in de eerste plaats natuurlijk het herinneren van de dierbaren die we verloren hebben. Hoewel ikzelf mijn vader, een opa en oma, ooms en tantes, neef en nichten in de jaren 1940-45 verloren heb en hen dus nu herdenk, was ik, toen dat allemaal gebeurde te klein om te beseffen wat ons overkwam en ook om aan die familieleden nog directe herinneringen te hebben. In dat opzicht ben ik dus net als de meesten van jullie, voor wie de herdachte personen en gebeurtenissen ver weg staan en maar een vaag indirect beeld oproepen.
Toch herdenken we, en dan in de eerste plaats omdat herdenken ook her-denken is. Opnieuw tot ons door laten dringen wat er gebeurd is, wat hun dood voor ons betekent en wat we daaruit kunnen en moeten leren.
Het thema, dat het Nationaal Comité 4 en 5 mei dit jaar voor de herdenking heeft gekozen en waaraan op veel scholen aandacht werd besteed, is “Vrijheid geef je door”. Ik wil daarover hier een persoonlijk verhaal vertellen en wel dat in de tweede wereldoorlog de vrijheid mij meegegeven is met de kinderwagen.

Dat zit zo:
Mijn ouders behoorden tot een vervolgde groep en mijn vader had – we hebben het over 1942/1943 heel goed begrepen, dat deportatie, dus transport naar “het oosten” dat ons wachtte, niets goeds te bieden zou hebben. Hij wist mijn moeder daarom te overtuigen, dat het beter zou zijn als ieder van de gezinsleden afzonderlijk zou onderduiken. Ik was toen ik onderdook (of beter ondergedoken werd) een baby van een half jaar oud. Er was een afspraak gemaakt met wat later bij ons genoemd werd: “het meisje van het verzet”, om mij op een onderduikadres af te leveren. Omdat het te veel zou kunnen opvallen als je een kind gewoon aan iemand mee gaf, liep mijn moeder met mij in de kinderwagen over een hele lange straat[i]. Het “meisje van het verzet” kwam erbij lopen, en legde ook een hand op de stang van de kinderwagen en al lopend over de lange straat schoven de handen telkens een klein beetje op op die stang. Een paar honderd meter verder liepen de dames samen achter de kinderwagen en nog veel verder, bij het eind van de straat, liep het “meisje van het verzet” verder met de wagen en mijn moeder ging zonder haar kind naar huis. Ik werd afgeleverd bij een pleeggezin en omdat het daar niet veilig was, enkele weken later bij een ander pleeggezin, dat mij liefderijk heeft opgevangen, waardoor ik – illegaal – de oorlog heb kunnen overleven.
Zo werd de vrijheid (en het leven) mij dus meegegeven met de kinderwagen. Minder geluk hadden sommige andere kinderen uit de straat waar ik woonde, o.a. Willem van 14 en Selma van 12, Herman van 8 en Jacques van 6, Max van 6 en Aline van 4, Peter van 5 en Rolf van 1, Harry van 9 maanden en Frederika van 8 maanden oud op het moment dat ze vermoord werden in Auschwitz resp. Sobibor[ii]
Wie waren in dit verhaal de helden?
- Allereerst “het meisje van het verzet”, dat zo’n honderd kinderen redde en haar moed moest bekopen met een verschrikkelijk verblijf in concentratiekamp “Ravensbrück”, maar dat gelukkig overleefde,
- Misschien ook mijn moeder, die de moed had haar baby weg te geven, die de oorlog zelf overleefde en haar baby als kleuter 3 jaar later weer terugkreeg,
- Zeker ook mijn oorlogspleegouders, want zij namen een groot risico. Ze zouden verraden kunnen worden en een besneden jongetje was riskanter dan een meisje.
En wie waren in dit verhaal het kwaad en de anti-helden?
- Allereerst een barbaars en meedogenloos nazi-systeem dat mensen naar eigen behoefte labels opplakte als meer- of minderwaardig. Ik zeg hier bewust niet “de Duitsers”, want ik wil niet dezelfde denkfout maken door die op hun beurt ook te labelen!
- Dan de gewillige uitvoerders van dat systeem, Duitsers én Nederlanders, zoals diegenen die later mijn vader – hoewel ook ondergedoken – verraden hebben, en de politiemensen die meewerkten aan ophalen en transport naar het concentratiekamp, dat hij niet overleefde.
Dit is natuurlijk maar één verhaal uit de vele verschrikkelijke verhalen uit die tijd en uit de andere situaties van oorlog en ellende waar ook ter wereld die we vanavond eveneens herdenken. Maar wat kunnen we, als we her-denken en het opnieuw tot ons door laten door dringen, van dit verhaal leren?
- Allereerst dat het heel gevaarlijk is mensen in te delen en als groep te onderscheiden met standaard stickertjes, of het nu joden, zigeuners, moslims, christenen, inlanders, illegalen zijn, of welke groep ook die anders is dan wat een meerderheid of de machthebbers graag zien.
- Ten tweede volgt hier ook uit, dat vrijheid dus niet betekent, dat alles mag. Zeggen wat je vindt is mooi, maar als je daarmee een andere groep in de hoek zet en tot – zeg maar – “De Ander” maakt, dan is dat het begin van gebrek aan respect, van haat en nijd, van discriminatie, moord en soms genocide.
Alles mogen zeggen zolang het maar voldoet aan wat de meerderheid wil, – “zo doen wij dat hier” – is geen vrijheid, maar tirannie van de meerderheid. De vrijheid van de één is altijd ingeperkt door de vrijheid van de ander. Vrijheid eist dus dat anderen, ook met afwijkende mening, gewoonten of geloof, gerespecteerd worden. - Ten derde leert dit ons, dat het verzet van individuen tegen het niet respecteren van de vrijheid van wie anders is, ertoe doet. Het zijn mensen die het verschil kunnen en moeten maken, die de vrijheid doorgeven én die uiteindelijk mensenlevens kunnen redden.
In dit persoonlijk verhaal heb ik iets willen overdragen van de dankbaarheid voor degenen die zichzelf opofferden om onze vrijheid mogelijk te maken. Zo hoop ik iets van de vrijheid die ik zelf meekreeg met de kinderwagen, te kunnen doorgeven, om daarmee hen die het niet meer kunnen navertellen te herdenken.
Joost van der Lijn
Utrecht, 4 mei 2012
[i] Ceintuurbaan in Amsterdam
[ii] Dintelstraat Amsterdam, zie www.joodsmonument.nl